Betrouwbare informatie over onderwijs op afstand en weer op school

Didactiek

Bij lesgeven op afstand blijven dezelfde didactische principes bestaan. Houd daarbij zoveel mogelijk hetzelfde instructiemodel aan als in de reguliere situatie; dit is herkenbaar voor de leerlingen. Wil je meer weten over de effectiviteit van een instructiemodel, lees dan dit antwoord van de Kennisrotonde. Probeer daarnaast zoveel mogelijk aan te sluiten bij jullie visie en de onderwijsvorm die daarbij past, hierdoor kan de nadruk op de verschillende didactische principes verschillen. 

Het is de uitdaging de didactische principes zo goed mogelijk op afstand vorm te geven en dit regelmatig op een interactieve wijze te doen. Houd daarbij rekening met:

De onderstaande tips zijn voornamelijk geschreven voor de groepen 3 t/m 8, specifiekere tips voor de kleuters vind je bij kleuteronderwijs.

Prioritering

Er is bij onderwijs op afstand vaak minder tijd voor lesgeven. Daardoor moet je keuzes maken in het onderwijsaanbod. Om dit proces te ondersteunen hebben de PO-Raad, OCW, SLO en de educatieve uitgevers gezamenlijk gewerkt aan verschillende handvatten, zoals kaarten voor focus en inrichting en concrete suggesties voor het prioriteren van leerdoelen.

Doel 

De les start zoals altijd met een doel: wat wil je leerlingen leren met deze les? Het is belangrijk dit goed voor ogen te houden, vooral ook omdat het voor leerlingen en ouders extra duidelijk moet zijn.

Geef aan welke leerstof de leerlingen gaan leren, hoe dit zich verhoudt tot eerder geleerde leerstof, en waarom ze dit moeten leren. Daarbij is het van belang om ook verwerkingsopdrachten te hebben voor herhaling, die leerlingen de weken daarop kunnen maken.

Aan de hand van het doel kun je naderhand ook beter evalueren. Communiceer het doel goed met de ouders en de leerlingen. Dit kan bijvoorbeeld door het doel te noemen in de dagplanningen of weekplanningen die je ouders en leerlingen stuurt.

Asynchroon en synchroon

Pas als het doel duidelijk is, kun je besluiten hoe je de lesstof het beste kunt aanbieden. Volgens expert Gino Camp van de Open Universiteit kunnen sommige doelen beter offline worden behaald en hoeft een interactieve les niet per se het meest passende middel te zijn.

Kijk dus altijd goed naar het doel, en bekijk vervolgens hoe je dat doel het beste kunt bereiken. Dat kan offline of online zijn, met een filmpje (asynchroon) of interactief (synchroon).

Lesgeven op afstand kan dus op twee verschillende manieren:

  1. De eerste manier is asynchroon. Dit betekent dat je korte filmpjes opneemt die het leerproces ondersteunen en dat je deze vervolgens deelt met je leerlingen.
  2. De tweede manier is synchroon. Dit betekent eigenlijk dat je ‘live’ lesgeeft op afstand. Via het platform dat jouw school gebruikt, kun je samenkomsten met alle leerlingen organiseren, jouw scherm delen en ter plekke instructie of opdrachten geven.

Voorkennis ophalen

Zorg dat de leerlingen weten welke concrete voorkennis en vaardigheden ze nodig hebben en waar ze dit kunnen terugvinden wanneer ze bepaalde kennis of vaardigheden nog niet voldoende beheersen. Dit kun je zowel asynchroon als synchroon aanpakken:

Instructie

Marcel Schmeier geeft in zijn video tips die helpen bij het geven van een expliciete directe instructie op afstand. Een aantal handige tips om te voorkomen dat er cognitieve overbelasting plaatsvindt:

De instructie kan zowel asynchroon als synchroon plaatsvinden:

Bij asynchroon (een filmpje) is het belangrijk om rekening te houden met de aandachtsboog van leerlingen. Korte video’s werken het beste: op een normale lesdag geef je ook geen urenlange instructie.

Let bij het maken van filmpjes ook goed op het taalgebruik. Kennen alle kinderen alle begrippen? Zo niet, zorg er dan voor dat de betekenissen duidelijk te vinden zijn. Doe dit bijvoorbeeld door het begrip uit te leggen of door te verwijzen naar de plek waar de uitleg staat. 

Bij synchroon is het belangrijk om goede afspraken te maken met de leerlingen. Menno Kolk noemt in zijn video alvast een paar tips:

Menno Kolk noemt daarnaast allerlei manieren en tools om de les nog interactiever te maken. Ook Irene van der Spoel geeft in haar handleiding informatie over verschillende tools die kunnen worden ingezet voor het leerproces.

Let op: Kijk bij het inzetten van de verschillende tools altijd goed naar de privacyvoorwaarden, bijvoorbeeld met behulp van de Privacy-quickscan.

Meer weten over wat er werkt bij differentiatie, lees dan de publicatie van de Kennisrotonde.

Verwerking 

Na de instructie is het van belang dat leerlingen verwerkingsopdrachten krijgen waarmee ze de kennis kunnen ordenen (of waarmee de leraar de kennis voor de leerlingen ordent). Bied een goede structuur en geef aan wanneer en waar leerlingen of hun ouders terechtkunnen met vragen. Je loopt immers nu niet even langs en ouders nemen deels jouw taak over.

Als je synchroon werkt, kun je ervoor kiezen de video-omgeving open te laten terwijl de leerlingen bezig zijn met de verwerking. Zo ben je makkelijk te benaderen voor vragen, gesprekjes en korte evaluaties.

Zorg voor afwisseling tussen denken en verwerken en kijk ook naar variatie in de manieren waarop leerlingen de leerstof kunnen verwerken.

Verlengde instructie 

Ook de verlengde instructie kan synchroon en asynchroon plaatsvinden.

Als je asynchroon werkt kun je bijvoorbeeld filmpjes opnemen voor de verschillende instructieniveaus. Ook kun je leerlingen een extra instructiefilmpje opsturen van specifieke leerstof die zij nog niet beheersen.

Als je synchroon werkt kun je verlengde instructie in kleinere groepjes geven. Je kunt er ook voor kiezen om leerlingen met verschillende instructieniveaus door elkaar te zetten, zodat ze van elkaar kunnen leren en zich kunnen optrekken aan elkaar.

Soms heeft een leerling een-op-een aandacht nodig. Meer hierover lees je bij Leerlingenzorg.

Meer weten over wat er werkt bij differentiatie, lees dan dit rapport van het NRO over differentiatie in de klas.

Evaluatie en feedback 

Kijk als eerste of elke leerling de instructie heeft begrepen. Als je de instructie asynchroon geeft, kun je dit bijvoorbeeld doen door aan het einde een paar checkvragen te stellen. De leerlingen kunnen de antwoorden opschrijven en inleveren.

Wanneer je synchroon werkt kun je bijvoorbeeld tijdens de instructies vragen stellen of werken met wisbordjes. Ook kun je leerlingen de achterliggende gedachte laten uitleggen, aan jou of aan elkaar.

Zorg daarna voor een terugkoppeling op het gemaakte werk. Welke aanpak had je normaal gesproken? Keek een online systeem de opdrachten na, deed je dit steekproefsgewijs of keken leerlingen zelf hun werk na en lag het initiatief tot extra vragen stellen bij hen?

Uit onderzoek van de Kennisrotonde blijkt dat het belangrijk is dat leerlingen naast de online omgeving, feedback van jou krijgen. Daarnaast blijkt dat beloningen en feedback bij online leren het liefst persoonlijk en inhoudelijk zijn, en meer gericht op de inzet en de taak dan op de prestatie of uitkomst. Dit feedback kan correctief zijn, maar beter is directief (korte uitleg van aanpak) of epistemisch (hoe ben je hierop gekomen? Was het antwoord anders als je rekening had gehouden met…?).

Als je een tijdje met hetzelfde doel bezig bent geweest, kun je de leerlingen ook een ‘oefentoets’ laten maken. Daarmee kunnen ze nagaan of ze de leerstof echt beheersen. Een oefentoets leidt tot leren, en laat jou en hen zien of zij de stof hebben begrepen. Ook kun je openboektoetsen inzetten met ingewikkelder vragen om te testen of de leerlingen de lesstof ook kunnen toepassen.

Terug